Neplog

Neplog_2_1

Zie hier de neplogwedstrijd, en zie daar de echte schrijver (of eigenlijk schrijfster) van het verhaal.

Dag

Ik ben een loser, een mislukkeling, een gaar persoon die denkt Hollywood even zijn kunsten te laten zien, iemand die zich laat bedriegen, een mens met een eeuwig vreemde arm, iemand die het gewoon de wereld niet aan kan.

Het komt er op neer dat ik inmiddels weer in de plaatselijke supermarkt vakken vul en kansloos bij mijn ouders ben ingetrokken. Dag Amerika, dag Los Angeles, dag Summer, dag filmset, dag ziekenhuis, dag mister Jones, dag appartementje, dag Jack, dag wolkenkrabbers – ik zal jullie missen.

Misschien

Ik weet het allemaal niet meer. Vind ik het hier eigenlijk nog wel leuk? Een half dode arm waarmee ik eindelijk weer een beetje normaal mee kan functioneren, Summer die depressief is omdat ze op haar werk een dienblad vol koffie en thee over haar gezicht heeft gekregen, ongeruste en overbezorgde ouders die thuis zitten en me elke dag bellen, verkeerd aflopende audities, een mislukte filmrol… Ik weet het allemaal niet meer.

Misschien moet ik maar gewoon naar huis gaan.

ABC

Waarom het juist mij moest overkomen, al sla je me dood – ik heb geen idee. Mijn collega belt nog wel eens op, vragen hoe het met me gaat. Ik denk dat hij dat alleen maar uit beleefdheid doet, of onder dwang van de kettingzaag. Ik verkondig steeds hetzelfde antwoord. ‘‘Sure, I’m great, how are you today?’’ Dan is het gesprek meestal afgekapt en afgelopen verklaard.

Vandaag moest ik opnieuw naar het ziekenhuis. ‘‘Controle, you know,’’ hadden de artsen verteld bij afloop van mijn tien-nachten-waardeloos-in-het-ziekenhuis-liggen-avontuur. Dit is de tweede keer dat ik op controle moest sinds een paar dagen.

‘‘Helloooooo Sjohhèm!’’ roept de receptioniste al vrolijk als ik net de draaideuren uit kom wandelen. Ik steek mijn hand op, als teken van bevestiging. Ik betrap mezelf erop dat ik me er niet eens meer aan erger dat niemand mijn naam goed zegt. ‘‘Hi,’’ zeg ik als ik langs haar ‘hokje’ loop. ‘‘Meeting with doctor Jones?’’ vraagt ze vol medelijden. Ik knik. Ze aait over mijn hand, en vraagt of het al beter gaat. Opnieuw knik ik. Even later loop ik door de witte gangen die ik inmiddels goed ken, op weg naar Jones. Ik klop op de witte deur, waar een zwart bordje ophangt met witte letters. Jones, staat erop. ‘‘Come in, mister Rosenveld,’’ hoor ik aan de andere kant van de witte deur. Ik duw de deurklink omlaag, en stap optimistisch de kamer binnen. Ik zie hem zitten, de irritante man waarmee ik elke keer een gesprek moet voeren.

Ik verlaat het ziekenhuis. Voor altijd. Voor eeuwig. Het doet me denken aan een liedje die we vroeger zongen als we wilden stoppen met een spelletje. ‘‘A, B, C, ik kap ermee. Voor ééuwig en altij-hijd!’’ Met een glimlach loop ik richting het bushokje waar ik zijn moet. Een minuutje later laat ik me als een zielige man zakken op het oncomfortabele bankje. ‘‘What the fuck have you done with your HAND?’’ hoor ik een bekende stem zeggen. Ik kijk opzij, en kijk naar een ook al bekend gezicht. Het is anders dan normaal, besef ik. Rare ongelijkheden in het gezicht waar ik in kijk, of eerder gezegd, aan het staren ben. Het kapsel is hetzelfde, de ogen en de neus ook. De mond hangt een klein beetje scheef, of lijkt dat maar zo? De ene kant van het gezicht is half bruin in combinatie met rood.

‘‘Summer?’’ stamel ik.

Onverwacht

Ik kan het eindelijk opbrengen. Energie. Energie om de mensen in Nederland die ik heb achtergelaten weer op de hoogte te brengen.

De wallen onder mijn ogen zijn aan het verminderen, mijn doffe ogen krijgen weer enigzins schittering en mijn vingers van mijn linkerhand kan ik weer bewegen. Niet om ongerustheid op te wekken, welnee. Ik zal even haarfijn vertellen waarom ik zo’n verschrikkelijk depressief verhaal aan het tikken ben.

‘‘Ready?’’ De langharige vent zwaait met zijn handen. Ik vind het nog steeds grappig dat de man kaal begint te worden, maar dat zelf niet door schijnt te hebben. Bovenop zijn hoofd valt zijn haar op sommige plekken uit, en de lange, grijze, vette slierten hangen rampzalig stijl naar beneden. Ik moet me concentreren. Het is donker, en ik sta bij een café. Ik sta er natuurlijk niet alleen, ik sta er samen met mijn kettingzaag. De scène is nu al vier keer overgedaan. ‘‘Action!’’ roept de man met het haar. Het gaat allemaal automatisch. Een man komt half bezopen uit het café, en ik sta hem zogenaamd op te wachten. Met de kettingzaag natuurlijk. ‘‘What…’’ stamelt mijn tegenspeler. Ik zwaai met de kettingzaag, nu komt er een andere collega aanrennen op de set. Ook hij heeft een kettingzaag, en we moeten samen vol wraak wat geluiden produceren. ‘‘I’m going to kill you,’’ murmel ik, terwijl ik de kettingzaag aan zet. De dronken man vraagt vol verbazing: ‘‘What’s that?’’ Waarop ik intelligent antwoord: ‘‘Watch this…’’ Mijn collega en ik komen met de kettingzagen op de man af, die inmiddels op de grond is gaan liggen van angst. Ik probeer te hakken en te zagen met het onhandige ding. Ik zie mijn collega hetzelfde doen, dus ik doe hem maar een beetje na. Het lijkt net of de man die op de grond ligt echt angst heeft. Bloed komt uit zijn nek, zijn kleding is half doorgescheurd en bloed druppelt op de grond. ‘‘CUT!’’ wordt er geroepen. Verdomme, de scène was nog lang niet afgelopen. Nu moet het weer opnieuw.

‘‘Ready…?’’ wordt er nogmaals gevraagd. ‘‘Action!’’ Dezelfde man komt weer half bezopen uit het café, ik sta weer klaar met mijn kettingzaag. ‘‘What…’’ Mijn collega komt weer aanrennen met een soort gelijk exemplaar kettingzaag als dat ik in mijn handen heb. Ik murmel wat, en roep: ‘‘I’m going to kill you!’’ De man duikt in elkaar, en mijn collega duikt meteen op hem af met de kettingzaag. Dit staat toch niet in het script? Ik besluit te improviseren, en ga er strijdlustig op in. Mijn collega ook, en voordat ik het weet haalt hij uit met de kettingzaag. Moet ik dat nu ook doen? Ik hak op de man in, dit ding is toch van plastic. Ik laat me helemaal gaan, en de mensen langs de set vinden het helemaal geweldig. Dan valt er iets naar beneden. Iets zwaars. Helaas komt het op mijn arm, nadat ik het ding ontweek. Ik schrik, de mensen op en naast de set zijn in paniek. Ik hoor het allemaal nog maar half, en laat het totaal over me heen komen.

‘‘Heart is okay,’’ hoor ik iemand zeggen. Het klinkt ver weg. Ik probeer mijn ogen open te doen, en na drie pogingen lukt het me eindelijk. Wazig zie ik twee personen boven me. Ik lig waarschijnlijk. Voordat ik het weet zijn er twee paar ogen op me gericht. ‘‘Hello,’’ zegt een andere stem. Deze stem is hard en irritant. ‘‘Hi,’’ probeer ik optimistisch. Het is wit hier. Ik kijk om me heen, en kijk verdwaasd naar mijn lichaam. Mijn armen liggen boven de dekens. Mijn linkerarm is anders dan de rechter. Dat is meestal, maar dit is ánders dan anders. Verband, raar verbogen, opgezwollen en geel. Lelijk, zo noem ik het maar. Het is gewoon lelijk. ‘‘Different, eah?’’ Dezelfde kille stem. ‘Ha-ha-ha,’’ zeg ik sarcastisch. ‘‘You are só funny, do you know that?’’ ‘‘It’s a fact,’’ krijg ik terug te horen. Ok, is dit een arts? Een dokter, een verpleger? Wat is hij? Een soort clown vermomd in een wit gewaad? Een vrouw zegt dat hij stil moet zijn, ik moet kunnen rusten.

Dat rusten is wel goed gekomen na tien dagen in een Amerikaans ziekenhuis te hebben gelegen. Wees daar maar ‘gerust’ op. Aleen mijn arm is een beetje vreemd; littekens, raar velletje en een soort bochel zijn de enige vervolgen. ‘‘An accident,’’ biechtte een collega op tijdens zijn bezoekje. ‘‘But we’ve got a perfect shot for the movie,’’

‘‘Nobody knows it’s not fake,’’ hinnikte diezelfde toen hij de kamer verliet. Nou nog even, en ik kan alleen maar voor lijk spelen in films.

Wat is dit?

‘‘Here you are,’’ Ik krijg een pakketje met veel tekst. Ik knik bevestigend naar de vrouw die het boekje vriendelijk kwam afleveren. Ik sla het boekje open, en bekijk de zwarte letters die op het papier gedrukt staan. Voorzichtig begin ik te lezen. Is dit nu zo’n beroemd script? Wanneer zal ik in het script voorkomen? Hoeveel zou ik moeten zeggen? Wat zou ik moeten doen? Welke emoties zullen er verwacht worden die ik zal gaan vertonen? Ik blader het pakketje door, af en toe staan er notities bij stukjes tekst. Ergens middenin staat iets gemarkeerd. Het zijn drie zinnetjes. Ik kijk wat ermee bedoeld wordt. ‘‘Jochem,’’ lees ik hardop. Is dit wat ik moet zeggen? Is dit álles? Alles? Ik blader snel door, en kijk of er nog meer gemarkeerd staat. Nee. Niets. ‘‘I’m going to kill you,’’ is mijn eerste zin. ‘‘Watch this!’’ en ‘‘We have to go,’’ is voor de rest al mijn tekst in heel de film. Ik moet angstig spelen, maar kwaadaardig met een kettingzaag. Lekker origineel ook, die kettingzaag. De scène speelt zich af voor het café. Verbaasd kijk ik naar het boekje wat nu al verwaarloosd op mijn schoot ligt.

‘‘Honey… This is all bullshit,’’ roep ik half jankend door de zenuwen tegen Summer door de telefoon. ‘‘Time for a good conversation in a lunchroom?’’ hoor ik een stem vol medelijden zeggen. Ik loop stampvoetend de ruimte uit. Op weg naar de lunchroom.

Yoga

Ik kijk om me heen. Het is kaal, leeg en vooral saai. In mijn gezichtsveld staat één boom. Ik haal mijn schouders op, en begin te lopen over een verlaten weggetje. Het kronkelt een beetje. Achter me hoor ik de bus wegrijden, die niet verder wilde gaan dan het bewoonde stuk. Het waait, mijn haren wapperen in mijn mond. Geïrriteerd hef ik mijn hoofd hard op, zodat ik weer normaal kan ademen. Ik steek mijn handen diep in mijn jaszakken, en loop een beetje gebogen over het paadje. Hoelang zou ik nog door moeten lopen?

Koud van de wind loop ik een verlaten terrein op. Hier zou het moeten zijn. Er staat een witte Mercedes in een hoekje geparkeerd. Ik verken mijn omgeving, en probeer een teken van leven op te vangen. Dan zie ik een deur die half open staat. Ik besluit er maar in te gaan. Voorzichtig, stapje voor stapje, wandel ik een grauw gebouwtje in. Er brandt weinig licht, en ik vraag me af of ik wel op de goede plek ben beland. ‘‘My friend!’’ Mijn hand wordt geschud, en er wordt vrolijk naar me gekeken. Ik kijk recht in het gezicht van de vader van Summer, en even krijg ik de neiging om de rochel die in achter in mijn strot zit op te hoesten en heel per ongeluk in zijn gezicht te spugen. Ik weet niet of ik nog wel met de vader van Summer wil werken, nu ik weet wat hij Summer heeft aan gedaan… ‘‘Hi,’’ begroet ik hem daarom maar. Ik vond het nogal knullig overkomen. Ik word naar een ruimte gebracht, en word geacht te gaan zitten. Het verbaast me niet dat ook hier posters hangen van horrorfilms. Uiteraard hangen er ook foto’s van cafés bij. Er staan een aantal stoelen in de kamer, het is aardig groot. Het oogt nog steeds wel een beetje grijs, maar ik vind dat ik niet te kieskeurig moet zijn voor mijn eerste échte film. Dat gastrolletje wat ik had bij ONM was nou ook niet echt geweldig, maar het was het begin van mijn carrière. Ik ben ervan overtuigd dat ik best een échte rol had gekregen als ik geen glas kapot had laten vallen in de kleedkamer. Mijn levensverhaal wordt plotseling verstoord. ‘‘Oooooh I’m so excited!’’ Een vrouw kijkt me aan, en ze heeft iets weg van een stuiterbal. Niet alleen is ze mollig, maar ook stuiterneigingen vallen me erg op. ‘‘Aren’t you excited? I am excited, but I have to be… cool…’’ Ineens is ze heel rustig, en laat zich ‘cool’ zakken op de stoel naast me. Ze pakt mijn hand, en haalt diep adem. ‘‘Breathe is the most important thing on earth…’’ Spontaan begint ze yoga-oefeningen te doen. Ze heeft plaats genomen op de grond, midden in de ruimte. Ik sta verbaasd toe te kijken. Mijn broekzak trilt, en maakt lawaai. Ik schrik op, en voel automatisch in mijn broekzak. Ik haal mijn telefoon eruit, en zie dat ik een smsje heb. Summer wil morgen met me lunchen, en ze wenst me veel succes met de eerste bijeenkomst van mijn eerste film. Ze noemt me nog steeds ‘honey’, hoe vaak ik ook zeg dat ik haar ‘honey’ niet ben. Ik rol met mijn ogen, en tijdens mijn rol-moment kijk ik recht in de ogen van de stuitervrouw. Een vernietigende blik.

‘‘I wasn’t finished with my yoga,’’ snuift ze.

‘Bijbaantje’

Ze had gehuild. Ik zag het meteen. Ze had van die rood doorlopen ogen, en restjes van uitgelopen mascara zaten nog hinderlijk onder haar wimpers. Ze stond met de deurklink in haar handen, en probeerde me glimlachend aan te kijken. Ze ontweek mijn blik, en liet me zonder dat ze me enigzins een blik had toegeworpen, naar binnen. De sfeer was onaangenaam, irritant en vervelend.

‘‘Honey..’’ begon Summer, en ze maakte krampachtige bewegingen terwijl ze plaats nam op de rode bank. ‘‘Don’t call me honey,’’ kapte ik haar af. Ik vond het vreselijk om haar zo te zien. Maar tegelijkertijd vond ik het ook niet meer dan normaal om haar erop aan te spreken. Ze verdient me gewoon niet. Ik zag haar nadenken. Haar hersenen zochten de juiste woorden, en haar mond werkte ook niet mee. Ik zuchtte hoorbaar. Dat deed ik expres, ik vond dat ik haar de pijn moest laten voelen. Tot diep in haar hart, dat ze in elkaar zou zakken van schuldgevoelens, en zou worden verbrijzeld door uitdroging vanwege teveel huilbuien. Haar ogen werden vochtig, er zou elk moment een druppel uit kunnen vallen. Ik probeerde al mijn medelijden weg te stoppen, en ik keek haar zo koud mogelijk aan. Haar ogen vol schrik. ‘‘I…’’ stamelde ze. Ik keek haar vragend aan. ‘‘I… I don’t know why this is happened,’’ Ik schoot in de lach. Wat is dat nu weer voor een smoes? ‘‘Explain,’’ commandeerde ik haar. Ze begon te vertellen. Te vertellen over haar verleden, dat ze volledig werd vergeten thuis, en dat ze, toen haar moeder overleed, misbruikt werd door haar vader. Ze was door haar vader in die situatie verzeild geraakt, haar vader wilde dat ze geld voor hem ging verdienen. Ik schrok even, maar zette mezelf weer op het goede spoor. ‘‘Oh,’’ bracht ik uit. Summer had zich volledig overgegeven aan haar tranen, en snikte zachtjes. Ik kan niet tegen huilende vrouwen. Ik kon mezelf niet inhouden, en legde een arm om haar schouders. ‘‘I’m sorry,’’ troostte ik haar. Mijn shirt zat vol mascarastrepen. Ik vergat mijn boosheid. Ik liet haar niet meer los.

Dat is nu een paar dagen geleden. We bellen elkaar regelmatig, maar het contact is niet meer wat het was. De spanning loopt op als ik met haar aan de lijn hang, woede verspreidt zich door mijn hele lichaam en ik wil haar eigenlijk niet meer zien. Ze heeft me bedrogen, ookal zei ze dat ik de eerste persoon was in haar leven waar ze verliefd op was. Dat had me geraakt, maar we hebben eigenlijk niets met elkaar. Binnenkort gaan we het opnieuw proberen. We gaan weer lunchen.

Heeft ze een tweelingzus ofzo?

Ik wacht geduldig.

Hoopvol kijk ik naar het beeldscherm, waar zodadelijk zoekresultaten op zouden moeten verschijnen. Een paar seconden geleden drukte ik vol spanning op ‘Search’, nadat ik de letters van de vader van Summer had ingetikt. Er moet dus iets uit komen wat te maken heeft met Amerikaanse films. Nog steeds een wit beeldscherm, de internetverbinding is hier bagger. Het zandlopertje begint me te vervelen.

Ik wacht geduldig.

Het enige wat ik zie, is horror, horror, cafés, horror en cafés. Het geeft me een sprankeltje hoop, hij heeft dus al wat films gemaakt. Ik wrijf over mijn hoofd, en kijk bedenkelijk naar de titels van de films. Wanneer zullen ze mij nu eens bellen over mijn rol die ik heb gescoord op die auditie? Het is alweer vijf dagen geleden, en ik heb er nog steeds niets over gehoord. Het rare gevoel bekruipt me al een paar dagen. Het begint steeds meer aan me te knagen dat ze zo weinig van zich laten horen. Volgens Summer zou ik me niet zoveel zorgen moeten maken, dat ze vanzelf wel eens bellen. Anders zou zij haar vader nog eens bellen, om te vragen hoe dat nu zit. Dat is dan wel weer fijn.

Mijn oog valt op een andere link dan wat te maken heeft met horror en cafés. De link Summer roept vragen op. Ik klik direct op de blauwe letters. Waarom staat Summer tussen de zoekresultaten van haar vader? Wit beeldscherm. De eerste letters verschijnen langzaam. Dan een foto. Levensgroot. Een levensgrote foto. Van Summer. Ik sta versteld van de titel die er boven staat. Wanna play? Haar telefoonnummer staat met watervaste stift op haar arm geschreven. Ze kijkt net als op die avond van Jack.

Ik heb de telefoon al in m’n handen. Bitch.

Yes?

‘‘Nervous?’’ Ze kijkt me diep in mijn ogen aan, met zo’n geniepig schuin lachje. Ik wens dat al mijn mondspieren spontaan omhoog gaan staan, maar helaas blijft er een zenuwachtige gloed over m’n gezicht hangen. Ik glimlach krampachtig. ‘‘No,’’ zeg ik. Ik weet dat ik lieg, maar dat zeg ik niet tegen haar. Ze kijkt me onderzoekend aan. ‘‘Let’s go?’’ Ze wijst naar de deur waar we al een vijftal minuten voor staan. Het is zo’n deur waar je jezelf in kunt bekijken. Ik knik, en ik kijk haar aan. Zij kijkt naar de deur, en frunnikt aan haar haren, om vervolgens nog wat uitgelopen mascara weg te vegen en zo’n soort pruillipje te trekken terwijl ze die acties onderneemt. Ik zucht onhoorbaar, en trek haar zachtjes mee naar binnen. Ze stribbelt half tegen, maar dat boeit me weinig. Zij wilde mee.

‘‘Here you are,’’ Ik krijg een nummer in mijn handen gedrukt, en word naar een ruimte gebracht met veel mensen en een paar stoeltjes. We worden gedwongen te blijven staan. Ik zie Summer onwennig om zich heen kijken. Ik pak haar hand, en knijp er zachtjes in. Het zal wel goed zijn nu. Denk ik. Ik kijk ook maar de ruimte drie keer rond. Het is kleiner dan bij de vorige auditie, maar de lucht is hier een stuk aangenamer. Er hangen overal foto’s van horrorfilms, en af en toe een foto van een café. Ik probeer niet eens de link te leggen tussen de twee totaal verschillende dingen.

De man aait over zijn kin, en kijkt me bedenkelijk aan. Ik sta in een kleine ruimte met spiegels aan de wanden, en voor me staan drie tafeltjes die aan elkaar geschoven zijn. Er zitten drie mensen achter, waarvan de man die me twijfelend aan kijkt in het midden zit. Hij heeft grijs haar. Het valt me op dat de ruimte akelig wit geschilderd is. ‘‘I think…’’ Hij werpt een blik op zijn blaadje die voor zich ligt. ‘‘Yeah,’’ zegt hij, en hij knikt naar zijn collega’s.

Ik vlieg Summer om haar nek. ‘‘Whoohoo!’’ roep ik blij. Ze kijkt me verbaasd en opgewonden aan. ‘‘Are you kidding me?’’ Mijn lach wordt breder, en ik schud mijn hoofd. Ik heb een rol in de film van de vader van Summer! Ze weten nog niet echt waar ze me voor nodig hebben, maar ik héb een rol! Ik zit in elk geval in de film! Ik weet niet hoe blij ik ben. Heel erg vrolijk, en mijn big smile is niet meer van mijn gezicht af te hameren. Binnenkort bellen ze me op, voor de verdere informatie.

Ik kan niet wachten.